Inkomsten

Een groot gedeelte van de bevolking in Noord-Ghana is afhankelijk van de inkomsten uit landbouw en veeteelt.  Dit is nagenoeg de enige economische activiteit en hoofdzakelijk afgestemd op eigen voorziening. De landbouw heeft te kampen met een aantal ongunstige factoren: inefficiënte landbouwmethodes, één regenseizoen met zeer grillige regenval en een zeer lang droogseizoen.

Veeteelt gebeurt op kleine schaal en dient meer als zekerheid, reserve voor slechte tijden en als bruidschat. De veeteelt kent, als gevolg van de droogte, een lage productiviteit en dus lage opbrengsten. Omdat de grond over het algemeen schraal is, en er weinig regen valt is er voor de meeste huishoudens jaarlijks een voedseltekort. De meest kritieke tijd is van Maart tot Juni, aan het einde van het droge seizoen. Er is weinig water beschikbaar omdat het grondwaterpeil erg laag is en oppervlaktewater meestal niet in de buurt is. Opvangen en opslaan van regenwater is moeilijk vanwege gebrek aan middelen maar ook door erosie (zie ook Verwoestijning). Zware buien en de Harmattan (een sterke wind in de Sahara) brengen de bodem sterk in beweging, zodat soms slechts kale rotsen achterblijven. Als de oogsten tegenvallen wordt de bewoners geconfronteerd met honger.

HamatanGedurende het droge seizoen zijn de landbouwactiviteiten zeer beperkt. Omdat er ook nauwelijks andere economische activiteiten zijn migreren veel mannen dan naar het zuiden om zo voor een bijkomend inkomen te zorgen. Ook jongeren verlaten de dorpen omdat ze geen toekomst meer zien en trekken naar de steden in het zuiden. Voor de achterblijvende familie betekent het minder druk op de voedselreserves van hun familie en een kans op extra inkomen.
Het noorden wordt (te lang) beschouwd als de arbeidersreserve voor het Zuiden. Eerst was er de slavernij, na de afschaffing hiervan was het de arbeidsreserve voor de plantages en de mijnbouw. Met de jaarlijkse migratie van mannen naar het zuiden wordt dit imago bevestigd.

De streek verkeert in een kritieke situatie door het alsmaar verslechterende milieu en de vele onvruchtbare, uitgeputte gronden. De regens gedurende het korte regenseizoen zijn essentieel voor de landbouw maar beschadigen jaar na jaar de traditioneel in leem gebouwde huizen en de dijken voor de opvang van water bij de reservoirs.
De regens zijn ook de oorzaak van de sterke erosie die de humuslaag steeds dunner maakt.

In de streek groeit het milieubewustzijn, men probeert de erosie tegen te gaan. De overheid bevordert het gebruik van natuurlijke meststoffen (groenbemesting). In het kader van de milieubescherming lopen er meerdere boomplantprojecten.

Het noorden heeft geen delfstoffen en is lang verstoken gebleven van degelijke infrastructuur. Er zijn geen spoorwegen;weinig verharde wegen en beperkte aansluiting op het electriciteitsnet. Ook het onderwijs is traag op gang gekomen.